Het Agentschap heeft bij de uitvoering van de taak als schuldmanager te maken met verschillende risico’s, zoals renterisico, kredietrisico, valutarisico, concentratierisico, settlementrisico en operationeel risico. Hieronder wordt besproken hoe wordt omgegaan met een aantal van deze risico’s.
Beeld: Outlook 2026
Hofvijver
Renterisico
De algemene doelstelling van het Agentschap is om de staatsschuld te financieren tegen zo laag mogelijke kosten en onder een acceptabel risico voor de begroting. Het belangrijkste risico voor de begroting is het renterisico, oftewel het risico dat de rentekosten stijgen als gevolg van rentebewegingen.
Het risico voor de begroting is laag wanneer de rentes op leningen zo lang mogelijk vast worden gezet. Op deze manier zijn de rentekosten immers zo stabiel en zeker mogelijk. Echter, als de rente langer vastgezet wordt, gaat dit over het algemeen gepaard met hogere kosten. Er wordt daarom een balans gezocht tussen kosten en risico. De wijze waarop dit risico beheerst wordt, ligt vast in een renterisicokader dat periodiek opnieuw vastgesteld wordt, om in te kunnen spelen op veranderende omstandigheden.
De meest recente evaluatie van het renterisicokader was in 2025. De evaluatieperiode (2020-2025) is veelbewogen geweest door de coronapandemie en oplopende rentes. Desondanks is het Agentschap in staat geweest om de staatsschuld effectief en efficiënt te financieren. De volgende periodieke evaluatie staat gepland in 2030. Indien gewenst kan het Agentschap naar aanleiding van tussentijdse interne evaluaties al eerder op het beleid bijsturen.
Vanaf 2026 zal de staatsschuld volgens het nieuwe beleidskader schuldfinanciering uitgevoerd worden. De nieuwe uitgiften zullen bijdragen aan de nieuwe doelstelling om de gemiddelde looptijd van de schuld-, swap- en kasportefeuille te verkorten richting een minimum van 7,5 jaar. De keuze om te verkorten wordt voornamelijk gedreven door de toegenomen termijnpremie en toegenomen absolute renteniveaus. Dit betreft een lichte, maar structurele wijziging in vergelijking tot voorgaande renterisicokaders waar de looptijddoelstellingen geleidelijk zijn verhoogd.
In het renterisicokader dat geldig was van 2008-2015 werd de balans tussen kosten en risico optimaal geacht als de rente steeds voor zeven jaar werd vastgezet. Om dit gewenste risico te bereiken gebruikte het Agentschap renteswaps.
In reactie op historisch lage rentes was het sinds 2012 mogelijk om af te wijken van wat bekend geworden is als de 7-jaars benchmark. Dit gebeurde door lange leningen niet meer met behulp van renteswaps terug te brengen naar 7-jaars leningen. Hierdoor werd de gemiddelde looptijd van de portefeuille geleidelijk verlengd ten opzichte van de 7-jaars benchmark. Een uitgebreide beschrijving van de 7-jaars benchmark en de toegestane afwijkingen is te vinden in hoofdstuk 4 van de Outlook 2012.
In het renterisicokader voor de periode 2016-2019 heeft een herziene afweging tussen kosten en risico geleid tot een gewenste gemiddelde looptijd van de portefeuille (schuld en swaps) van 6,4 jaar. De afhankelijkheid van renteswaps werd hierbij verminderd. De gemiddelde looptijd is van invloed op het renterisico dat over een langere periode gelopen wordt. Om ook het risico op korte termijn te beheersen, is in het renterisicokader van 2016-2019 een additionele risicomaatstaf geïntroduceerd: het renterisicobedrag (RRB). Het RRB is dat deel van de schuld (incl. swaps) waarover binnen 12 maanden de rente opnieuw moet worden vastgesteld. Voor de periode 2016-2019 is het RRB gemaximeerd op 18% van de staatsschuld. Het renterisicokader 2016-2019 is beschreven in hoofdstuk 4 van de Outlook 2016.
In 2019 is het Beleidskader financiering staatsschuld, bestaande uit het financieringsbeleid en renterisicokader, geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. De aanbevelingen uit deze beleidsdoorlichting hebben geleid tot een hernieuwd renterisicokader. De nieuwe doelstelling was om de looptijd geleidelijk te verlengen richting 8 jaar binnen een bandbreedte van 6 tot 8 jaar. De reden voor het verlengen was het langer vastleggen van de destijds negatieve rentes, en een relatief lage termijnpremie in historisch opzicht. Het nieuwe beleidskader gold voor de periode 2020 – 2025.
In de begin van de nieuwe beleidsperiode brak de coronapandemie aan. Om economische steunmaatregelen te financieren werd in 2020 een extra beroep gedaan op de geldmarkt, die als buffer dient.
Na een interne evaluatie is de doelstelling in 2022 verhoogd naar minimaal 7,9 jaar aan het eind van 2022. Dit betrof een versnelling van de verlenging van de looptijd, ingegeven door een lagere risicobereidheid vanwege een toegenomen schuldniveau en de nog steeds lage termijnpremie.
Gedurende 2023 werd duidelijk dat de financieringsbehoefte lager was dan verwacht aan het begin van het jaar. Een deel van de aanvankelijke daling van de behoefte werd opgevangen door de geldmarkt. Met deze aanpassingen vielen de gemiddelde looptijd en het renterisicobedrag nog steeds ruim binnen bijgestelde doelstellingen voor 2023, namelijk een minimale gemiddelde looptijd van 7,9 jaar en een renterisicobedrag van niet meer dan 25% van de staatsschuld. Over het geheel genomen werd de gemiddelde looptijd van de portefeuille met 0,4 jaar verlengd ten opzichte van 2023. In 2024 is na een tweede interne evaluatie de looptijddoelstelling verhoogd naar minimaal 8,0 jaar eind 2024.
|
Oorspronkelijke doelstelling 2020-2025 |
Bijgewerkte doelstelling 2023-2025 | |
|
Gemiddelde looptijd (jaareinde) |
Verlengen richting de 8 jaar binnen een range van 6-8 jaar |
Verlengen tot minimaal 8 jaar |
|
Renterisicobedrag (% van de staatsschuld) |
Maximaal 30% |
Maximaal 25% |
Kredietrisico
Kredietrisico is het risico dat een tegenpartij niet aan de contractuele verplichtingen kan voldoen. Het Agentschap is blootgesteld aan kredietrisico wanneer het overtollige gelden tijdelijk uitzet bij marktpartijen. Om dit risico te minimaliseren worden strenge eisen gesteld aan de kredietwaardigheid van deze partijen. Marktpartijen moeten voldoen aan minimale ratingeisen. Daarnaast wordt het kredietrisico beperkt door zo min mogelijk ongedekt en niet voor langere periodes uit te zetten. Dit betekent dat er bij voorkeur gebruik wordt gemaakt van gedekte deposito’s waarbij onderpand bij het Agentschap wordt gestort. Mocht de tegenpartij, om welke reden dan ook, niet aan zijn verplichtingen kunnen voldoen, dan kan het Agentschap dit onderpand te gelde maken. De kredietcrisis heeft geleid tot een verdere aanscherping van de regels. Zo mag bij de meeste tegenpartijen nog maar maximaal voor één dag ongedekt geld worden uitgezet. Daarnaast doet het Agentschap zaken met Schuldagentschappen van andere landen.
Ook bij rente- en valutaswaps loopt het Agentschap kredietrisico. Om dit kredietrisico op te vangen kunnen alleen swaps worden afgesloten die centraal afgewikkeld worden of met Primary Dealers en Single Market Specialists die voldoen aan minimale ratingeisen, mits met hen een ISDA-overeenkomst (International Swap & Derivatives Association) inclusief CSA (Credit Support Annex) is afgesloten. Gedurende de looptijd van de swaptransactie wordt door de tegenpartij onderpand gestort wanneer de marktwaarde van de swap – die dagelijks gevolgd wordt – voor het Agentschap positief is. De Nederlandse Staat stort zelf geen onderpand bij tegenpartijen.
Concentratierisico
Wanneer er veel risico geconcentreerd is bij één of een klein aantal tegenpartijen zijn de gevolgen wanneer er iets mis gaat logischerwijs groter dan wanneer het risico is verspreid over een groot aantal partijen. Bij het Agentschap wordt het concentratierisico beperkt door het vaststellen van kredietlimieten. Deze limieten bepalen hoeveel en door middel van welke instrumenten er maximaal bij een tegenpartij mag worden uitgezet (maximale exposure).
Valutarisico
Naast uitgiftes in euro geeft het Agentschap ook (beperkt) uit in vreemde valuta. Dit gebeurt voornamelijk in Commercial Paper (CP), waarbij Amerikaanse dollars, Britse ponden, Noorse kronen en Zwitserse francs mogelijk zijn.
Alle uitgiftes in vreemde valuta worden met een FX-swap naar euro omgezet, zodat bij het aangaan van de transactie de financieringslasten in euro vastliggen en het Agentschap gevrijwaard blijft van valutarisico.