Risicomanagement

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

Het Agentschap heeft bij de uitvoering van de taak als schuldmanager te maken met verschillende risico’s, zoals renterisico, kredietrisico, valutarisico, concentratierisico, settlementrisico, juridisch risico en operationeel risico. Hieronder wordt besproken hoe wordt omgegaan met een aantal van deze risico’s.

Renterisico

De algemene doelstelling van het Agentschap is om de staatsschuld te financieren tegen zo laag mogelijke rentekosten en onder een acceptabel risico voor de begroting. Met risico voor de begroting wordt de mate bedoeld waarin de rentekosten van jaar tot jaar fluctueren. Het belangrijkste risico voor de begroting is het renterisico, ofwel het risico dat de rentekosten fluctueren als gevolg van rentebewegingen. De wijze waarop dit risico beheerst wordt, ligt vast in een renterisicokader dat elke vier jaar opnieuw vastgesteld wordt.

Het risico voor de begroting is laag wanneer de rentes op leningen zo lang mogelijk vast worden gezet. Op deze manier zijn de rentekosten immers zo stabiel en zeker mogelijk. Echter, als de rente langer vastgezet wordt, gaat dit over het algemeen gepaard met hogere kosten. Er wordt daarom een balans gezocht tussen kosten en risico. In het renterisicokader dat geldig was van 2008-2015 werd de balans tussen kosten en risico optimaal geacht als de rente steeds voor zeven jaar werd vastgezet. Om dit gewenste risico te bereiken gebruikte het Agentschap renteswaps.

In reactie op historisch lage rentevoeten was het sinds 2012 mogelijk om af te wijken van wat bekend geworden is als de 7-jaars benchmark. Dit gebeurde door lange leningen niet meer met behulp van renteswaps terug te brengen naar 7-jaars leningen. Hierdoor werd de gemiddelde looptijd van de portefeuille geleidelijk verlengd ten opzichte van de 7-jaars benchmark. Een uitgebreide beschrijving van de 7-jaars benchmark en de toegestane afwijkingen is te vinden in hoofdstuk 4 van de Outlook 2012.

In 2016 is een nieuw renterisicokader in werking getreden. De basis voor dit nieuwe kader is de wens om de gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille (inclusief swaps) verder te verlengen. Deze wens is ingegeven door de huidige lage rentes, waardoor de kosten van verlengen relatief laag zijn. Tegelijkertijd leiden deze uitzonderlijk lage rentes echter tot een toename van het renterisico. Zie hiervoor ook de Kamerbrief beleidsdoorlichting hiernaast. Onder de randvoorwaarde dat in het nieuwe renterisicokader niet méér risico gelopen mag worden dan volgens het kader 2008-2015 en dat het nieuwe renterisicokader minder afhankelijk is van renteswaps, heeft een nieuwe afweging tussen kosten en risico geleid tot een gewenste gemiddelde looptijd  van de portefeuille (schuld en swaps) van 6,4 jaar.

De gemiddelde looptijd van de portefeuille eind 2015 was ongeveer 5,3 jaar. Het nieuwe renterisicokader is erop gericht om eind 2019 uit te komen op de gewenste looptijd van 6,4 jaar. Voor de tussenliggende jaren is een pad opgesteld waaraan de looptijd einde jaar steeds aan moet voldoen. Dit pad is terug te vinden in de Kamerbrief risicokader 2016-2019 van december 2015 (zie hiernaast) en in de Outlook 2016.

De gemiddelde looptijd is van invloed op het renterisico dat over een langere periode gelopen wordt. Om het risico op korte termijn te beheersen, is een additionele risicomaatstaf geïntroduceerd: het renterisicobedrag (RRB). Het RRB is dat deel van de schuld (incl. swaps) waarover binnen 12 maanden de rente opnieuw moet worden vastgesteld. Het RRB is gemaximeerd op 18% van de staatsschuld.

In de periode 2016-2019 wordt in het financierings- en renterisicobeleid gestuurd op een zodanige looptijd en RRB dat aan bovengenoemde streefwaarden zal worden voldaan. Instrumenten hiervoor zijn het inkopen van schuld, enige flexibiliteit in de kapitaalmarktuitgifte en aanpassingen in de swapportefeuille.

Kredietrisico

Kredietrisico is het risico dat een tegenpartij niet aan de contractuele verplichtingen kan voldoen. Het Agentschap staat bloot aan kredietrisico wanneer het overtollige gelden tijdelijk uitzet bij marktpartijen. Om dit risico te minimaliseren worden strenge eisen gesteld aan de kredietwaardigheid van deze partijen. Marktpartijen moeten voldoen aan minimale ratingeisen. Daarnaast wordt het kredietrisico beperkt door zo min mogelijk ongedekt en niet voor langere periodes uit te zetten. Dit betekent dat er bij voorkeur gebruik wordt gemaakt van buy-sell-back transacties (gedekte deposito’s) waarbij onderpand in de vorm van staatsobligaties bij het Agentschap wordt gestort. Mocht de tegenpartij, om welke reden dan ook, niet aan zijn verplichtingen kunnen voldoen, dan kan het Agentschap dit onderpand te gelde maken. De kredietcrisis heeft geleid tot een verdere aanscherping van de regels. Zo mag bij de meeste tegenpartijen nog maar maximaal voor één dag ongedekt geld worden uitgezet. Daarnaast doet het Agentschap meer dan voorheen zaken met overheidsschuldbeheerders uit andere landen.

Ook bij rente- en valutaswaps loopt het Agentschap kredietrisico. Om dit kredietrisico op te vangen kunnen alleen swaps afgesloten worden met Primary Dealers en Single Market Specialists die voldoen aan minimale ratingeisen, mits met hen een ISDA-overeenkomst (International Swap & Derivatives Association) inclusief CSA (Credit Support Annex) is afgesloten. Gedurende de looptijd van de swaptransactie wordt door de tegenpartij onderpand gestort wanneer de marktwaarde van de swap – die dagelijks gevolgd wordt – voor het Agentschap positief is. De Nederlandse Staat stort zelf geen onderpand bij tegenpartijen.

Parlementsgebouwen en skyline van Den Haag

Parlementsgebouwen en skyline van Den Haag

Beeld: Outlook 2014

Concentratierisico

Wanneer er veel risico geconcentreerd is bij één of een klein aantal tegenpartijen zijn de gevolgen wanneer er iets mis gaat logischerwijs groter dan wanneer het risico is verspreid over een groot aantal partijen. Bij het Agentschap wordt het concentratierisico beperkt door het vaststellen van kredietlimieten. Deze limieten bepalen hoeveel en door middel van welke instrumenten er maximaal bij een tegenpartij mag worden uitgezet (maximale exposure). De hoogte van de limiet is o.a. afhankelijk van de credit rating en de omvang van de tegenpartij.

Valutarisico

Naast uitgiftes in euro geeft het Agentschap ook (beperkt) uit in vreemde valuta. Dit gebeurt voornamelijk in Commercial Paper (CP), waarbij Amerikaanse dollars, Britse ponden, Noorse kronen en Zwitserse francs mogelijk zijn. Daarnaast heeft het Agentschap sinds 2012 twee keer een obligatie uitgegeven in Amerikaanse dollars. 

Alle uitgiftes in vreemde valuta worden met een FX-swap naar euro omgezet, zodat bij het aangaan van de transactie de financieringslasten in euro vastliggen en het Agentschap gevrijwaard blijft van valutarisico.