Decentrale overheden

Sinds eind 2013 zijn decentrale overheden verplichte deelnemers aan schatkistbankieren.

Op 15 december 2013 is de wet verplicht schatkistbankieren van kracht geworden. Vanaf dat moment zijn alle decentrale overheden (provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen in de vorm van een openbaar lichaam) verplicht om hun overtollige middelen in de schatkist aan te houden. Tegelijkertijd met de wet is de ministeriële regeling schatkistbankieren decentrale overheden van kracht geworden. Onderdeel van die regeling is de rekening-courantovereenkomst die iedere decentrale overheid heeft met de Staat der Nederlanden. De regeling bevat ook de verplichting voor decentrale overheden om een nieuwe bankrekening te openen bij een of meerdere banken, zodat die bankrekening gekoppeld kan worden aan de schatkist.

Het wetsvoorstel verplicht alle decentrale overheden om hun overtollige (liquide) middelen aan te houden in de schatkist. Het woord ‘overtollig’ verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor de publieke taak. (Onderdelen van) decentrale overheden mogen ongeacht de vormgeving dus geen bewaarfunctie voor publieke middelen vervullen. Die bewaarfunctie vervult de 's Rijks schatkist. Een decentrale overheid houdt uiteraard de beschikkingsmacht over publieke middelen en daarmee de mogelijkheid om leningen te verstrekken en uitzettingen te verrichten als dat gebeurt uit hoofde van de publieke taak. Deelname aan schatkistbankieren verandert daar niets aan.

Hieronder vindt u uitleg over de belangrijkste elementen van schatkistbankieren.

Wat is schatkistbankieren?

Schatkistbankieren is in de basis simpelweg het aanhouden van middelen bij het ministerie van Financiën (de schatkist). Het Agentschap van de Generale Thesaurie voert binnen het ministerie van Financiën het schatkistbankieren uit. Alle deelnemers aan het schatkistbankieren hebben een privaatrechtelijke rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Agentschap. Op basis van deze overeenkomst krijgen decentrale overheden een rekening-courant bij de schatkist waar middelen op kunnen worden aangehouden. De rekening-courant bij de schatkist wordt gekoppeld aan een nieuw te openen bankrekening van de decentrale overheid. Via die nieuwe bankrekening worden middelen naar de schatkist geboekt en weer teruggehaald. Voor decentrale overheden betekent schatkistbankieren dat zij al hun overtollige middelen aanhouden in de schatkist bij het ministerie van Financiën. Dit houdt in dat geld en vermogen niet langer bij bijvoorbeeld banken buiten de schatkist mogen worden aangehouden. Overtollige middelen mogen alleen in rekening-courant en via deposito’s bij de schatkist worden aangehouden of onderling worden uitgeleend aan andere decentrale overheden (zie hieronder). Vanzelfsprekend blijven decentrale overheden volledig vrij in de besteding van hun middelen zonder dat het Agentschap daar enige vorm van toezicht op uitoefent of kan uitoefenen. Voor decentrale overheden is er geen leen- of roodstandfaciliteit. Voor het betalingsverkeer blijven decentrale overheden aangewezen op het bankwezen.

Waarom schatkistbankieren voor decentrale overheden?

Deelname van de decentrale overheden aan schatkistbankieren draagt bij aan een lagere EMU-schuld van de collectieve sector (Rijk en decentrale overheden gezamenlijk). Iedere euro die decentrale overheden aanhouden in de schatkist, vermindert de externe financieringsbehoefte van het Rijk. Dat het Rijk (het Agentschap) minder hoeft te financieren op de markt vertaalt zich direct in een lagere staatsschuld. Eind 2015 was de staatsschuld 7,2 miljard euro (circa 1% BBP) lager als gevolg van de verplichte deelname van decentrale overheden. Een ander belangrijk gevolg van deelname aan schatkistbankieren is een verdere vermindering van de beleggingsrisico’s waaraan decentrale overheden worden blootgesteld.

Wie doen er mee aan schatkistbankieren?

Naast decentrale overheden doen er circa 250 andere instellingen mee aan schatkistbankieren. Verplichte deelnemers zijn op dit moment rechtspersonen met een wettelijke taak (zoals CBS en RDW) en agentschappen (zoals het KNMI). Onderwijsinstellingen kunnen vrijwillig meedoen met schatkistbankieren.. De verplichting tot schatkistbankieren is voor decentrale overheden geregeld in de wet Fido. Naast gemeenten, provincies en waterschappen zijn daarmee ook gemeenschappelijke regelingen, voor zover ze rechtspersoonlijkheid hebben (op dit moment zijn dat de openbare lichamen), verplicht tot deelname.

Wanneer decentrale overheden onderling een nieuwe gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam oprichten (bijvoorbeeld in het kader van de decentralisaties), dient deze gemeenschappelijke regeling te worden aangemeld voor deelname aan het schatkistbankieren. Aanmelding geschiedt via de website van het Agentschap.

Welke middelen moeten in de schatkist?

Afgezien van de mogelijkheid om aan elkaar leningen te verstrekken (zie hierna), zijn decentrale overheden verplicht alle middelen die ze niet direct nodig hebben voor hun publieke taak in de schatkist aan te houden. De enige uitzonderingen daarop zijn vastgelegd in de regeling schatkistbankieren decentrale overheden. De belangrijkste uitzondering is het drempelbedrag. Om het dagelijkse kasbeheer te vereenvoudigen mag een decentrale overheid gemiddeld over het hele kwartaal maximaal het drempelbedrag buiten de schatkist aanhouden. Dit is overigens geen verplichting, minder middelen buiten de schatkist houden mag uiteraard ook.

De hoogte van het drempelbedrag is afhankelijk van de financiële omvang van een decentrale overheid, afgemeten aan de omvang van de begroting (dezelfde maatstaf die ook wordt gebruikt voor de berekening van de kasgeldlimiet). De drempel is nu gelijk aan 0,75% van het begrotingstotaal indien het begrotingstotaal lager is dan € 500 miljoen. Indien het begrotingstotaal hoger is dan € 500 miljoen is de drempel gelijk aan € 3,75 miljoen plus 0,2% van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. De drempel is nooit lager dan € 250.000, wat betekent dat een decentrale overheid altijd gemiddeld € 250.000 buiten de schatkist mag houden. 

Welke rentevergoeding geeft de schatkist?

Binnen de schatkist kan een decentrale overheid middelen aanhouden in rekening-courant (rc) en/of in één of meerdere deposito’s. Over het dagelijkse RC-saldo wordt de daggeldrente (Eonia) vergoed. Op deposito’s is de rente afhankelijk van de looptijd. De hoogte van die rente is gelijk aan de rente waartegen de Nederlandse Staat zichzelf financiert op de geld- en kapitaalmarkten (de zogenoemde ‘inleenrente’). De rentetarieven worden dagelijks gepubliceerd in de internetfaciliteit voor het schatkistbankieren en met een dag vertraging ook op de website van het Agentschap. Die rentestanden vindt u in de donkerblauwe balk onder 'Documenten' en dan bij type 'Rentestand decentrale overheden'. Zowel de RC-rente als de deposito rente worden voor decentrale overheden nooit negatief. Indien noodzakelijk voor de uitoefening van de publieke taak kunnen deposito’s kosteloos en zonder boete vervroegd worden afgelost. De vervroegde aflossing van deposito's geschiedt tegen marktwaarde.

Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak

Vanzelfsprekend blijven ook na deelname aan schatkistbankieren uitzettingen mogelijk die een decentrale overheid doet uit hoofde van de publieke taak. Zo kan een decentrale overheid vanuit haar publieke taak nog steeds leningen verstrekken aan derden of eigen vermogen verstrekken aan verbonden partijen. Alle middelen die decentrale overheden in de schatkist aanhouden, blijven vanzelfsprekend te allen tijde beschikbaar voor de uitoefening van de publieke taak. De bestedingsautonomie van decentrale overheden is derhalve volledig gewaarborgd. De rekening-courantovereenkomst tussen een decentrale overheid en het Agentschap verzekert dat sprake is van ‘Chinese walls’ tussen het Agentschap enerzijds en de rest van het ministerie van Financiën en andere onderdelen van het Rijk anderzijds.

Onderling lenen tussen decentrale overheden

Als alternatief voor het aanhouden van overtollige middelen in de schatkist kunnen decentrale overheden ervoor kiezen deze middelen in te zetten om schulden af te lossen of om aan elkaar leningen te verstrekken (los van de hiervoor besproken publieke taak). Voor dergelijke onderlinge kredietverlening geldt wel de voorwaarde dat er geen (verticale) toezichtrelatie mag bestaan tussen de betrokken decentrale overheden. Dat betekent bijvoorbeeld dat een provincie niet mag uitlenen aan gemeenten en waterschappen in de eigen provincie (en omgekeerd), maar dat een gemeente wel krediet mag verstrekken aan een andere gemeente.

Geen kredietverlening door de schatkist

Decentrale overheden krijgen geen beschikking over een leenfaciliteit bij de schatkist. Ook mogen decentrale overheden niet rood staan bij de schatkist. Voor hun kredieten blijven decentrale overheden derhalve aangewezen op de markt. Mocht een decentrale overheid onverhoopt toch rood komen te staan bij de schatkist, dan wordt daarover een boeterente in rekening gebracht.