Op grond van de Wet financiering decentrale overheden zijn provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen in de vorm van een openbaar lichaam verplicht om hun middelen in de schatkist aan te houden. Deze verplichting is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido) en de ministeriële Regeling schatkistbankieren decentrale overheden. Sinds eind 2013 zijn decentrale overheden verplichte deelnemers aan schatkistbankieren.
Een belangrijk onderdeel van deze regeling is de privaatrechtelijke rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden. Op basis hiervan opent elke decentrale overheid een nieuwe bankrekening bij een of meerdere banken, gekoppeld aan een rekening-courant bij de schatkist. Via deze rekeningen kunnen middelen worden gestort of teruggehaald.
Decentrale overheden zijn verplicht om hun overtollige (liquide) middelen aan te houden in de schatkist. Het woord ‘overtollig’ verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor de publieke taak. (Onderdelen van) decentrale overheden mogen ongeacht de vormgeving geen bewaarfunctie voor publieke middelen vervullen. Een decentrale overheid houdt uiteraard de beschikkingsmacht over publieke middelen en daarmee de mogelijkheid om leningen te verstrekken en uitzettingen te verrichten als dat gebeurt uit hoofde van de publieke taak. Deelname aan schatkistbankieren verandert daar niets aan.
Voor vragen kunt u contact met het Agentschap opnemen.
Hieronder volgt een toelichting op de belangrijkste aspecten van schatkistbankieren voor decentrale overheden.
Wat is schatkistbankieren?
Schatkistbankieren houdt in dat overtollige middelen bij het ministerie van Financiën worden aangehouden. Het Agentschap van de Generale Thesaurie voert dit uit en beheert de rekening-courantovereenkomsten met decentrale overheden. Via deze overeenkomsten behouden decentrale overheden volledige beschikkingsmacht over hun middelen, zonder dat het Agentschap toezicht uitoefent op de besteding.
Belangrijke punten:
- Geen kredietverlening: Decentrale overheden kunnen geen leningen afsluiten of rood staan bij de schatkist. Voor krediet blijven zij afhankelijk van de markt.
- Geen bewaarfunctie: Decentrale overheden mogen geen publieke middelen bewaren voor andere partijen.
- Uitzettingen voor publieke taak: Leningen of investeringen vanuit publieke taak blijven toegestaan.
Alternatief: onderling lenen
Decentrale overheden mogen overtollige middelen gebruiken voor onderlinge kredietverlening, mits er geen verticale toezichtrelatie bestaat (bijvoorbeeld een provincie mag geen leningen verstrekken aan gemeenten binnen die provincie).
Welke middelen vallen niet onder schatkistbankieren?
Alle middelen die niet direct nodig zijn voor de publieke taak moeten in de schatkist worden aangehouden, met uitzondering van:
- Drempelbedrag: De belangrijkste uitzondering is het drempelbedrag: om het dagelijks kasbeheer te vereenvoudigen, mag een decentrale overheid gemiddeld over het kwartaal maximaal het drempelbedrag buiten de schatkist aanhouden. Minder middelen buiten de schatkist aanhouden is uiteraard ook toegestaan.
De hoogte van het drempelbedrag hangt af van de financiële omvang van de decentrale overheid, gebaseerd op het totale begrotingsbedrag (dezelfde maatstaf die wordt gebruikt voor de kasgeldlimiet). Voor begrotingen onder € 500 miljoen bedraagt het drempelbedrag 2% van het begrotingstotaal, met een minimum van € 1 miljoen. Voor begrotingen boven € 500 miljoen is de drempel € 10 miljoen, plus 0,2% van het begrotingstotaal boven € 500 miljoen.
- Bijzondere uitzonderingen: Vastgelegd in de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden.
Waarom schatkistbankieren voor decentrale overheden?
Deelname van de decentrale overheden aan schatkistbankieren draagt bij aan een lagere EMU-schuld van de collectieve sector (Rijk en decentrale overheden gezamenlijk). Iedere euro die decentrale overheden aanhouden in de schatkist, vermindert de externe financieringsbehoefte van het Rijk. Dat het Rijk (het Agentschap) minder hoeft te financieren op de markt vertaalt zich direct in een lagere staatsschuld. Eind 2023 was de staatsschuld 17,1 miljard euro (circa 1,7% BBP) lager als gevolg van de verplichte deelname van decentrale overheden. Een ander belangrijk gevolg van deelname aan schatkistbankieren is een verdere vermindering van de beleggingsrisico’s waaraan decentrale overheden worden blootgesteld.
Wie doen er mee aan schatkistbankieren?
Naast decentrale overheden doen er meer dan 600 andere instellingen mee aan schatkistbankieren. Verplichte deelnemers zijn op dit moment rechtspersonen met een wettelijke taak (zoals het CBS), agentschappen (zoals het KNMI) en sociale fondsen (zoals het UWV). Onderwijsinstellingen kunnen vrijwillig meedoen met schatkistbankieren. De verplichting tot schatkistbankieren is voor decentrale overheden geregeld in de wet Fido. Naast gemeenten, provincies en waterschappen zijn daarmee ook gemeenschappelijke regelingen, voor zover ze rechtspersoonlijkheid hebben (op dit moment zijn dat de openbare lichamen), verplicht tot deelname.
Wanneer decentrale overheden onderling een nieuwe gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam oprichten (bijvoorbeeld in het kader van de decentralisaties), dient deze gemeenschappelijke regeling te worden aangemeld voor deelname aan het schatkistbankieren. Aanmelding verloopt via Mijn Schatkist.
Onderling lenen tussen decentrale overheden
Als alternatief voor het aanhouden van overtollige middelen in de schatkist kunnen decentrale overheden ervoor kiezen deze middelen in te zetten om schulden af te lossen of om aan elkaar leningen te verstrekken (los van de hiervoor besproken publieke taak). Voor dergelijke onderlinge kredietverlening geldt wel de voorwaarde dat er geen (verticale) toezichtrelatie mag bestaan tussen de betrokken decentrale overheden. Dat betekent bijvoorbeeld dat een provincie niet mag uitlenen aan gemeenten en waterschappen in de eigen provincie (en omgekeerd), maar dat een gemeente wel krediet mag verstrekken aan een andere gemeente.
Geen kredietverlening door de schatkist
Decentrale overheden krijgen geen beschikking over een leenfaciliteit bij de schatkist. Ook mogen decentrale overheden niet rood staan bij de schatkist. Voor hun kredieten blijven decentrale overheden derhalve aangewezen op de markt. Mocht een decentrale overheid onverhoopt toch rood komen te staan bij de schatkist, dan wordt daarover een boeterente in rekening gebracht.
Welke middelen moeten in de schatkist?
Afgezien van de mogelijkheid om aan elkaar leningen te verstrekken (zie hierna), zijn decentrale overheden verplicht alle middelen die ze niet direct nodig hebben voor hun publieke taak in de schatkist aan te houden. De enige uitzonderingen daarop zijn vastgelegd in de regeling schatkistbankieren decentrale overheden. De belangrijkste uitzondering is het drempelbedrag. Om het dagelijkse kasbeheer te vereenvoudigen mag een decentrale overheid gemiddeld over het hele kwartaal maximaal het drempelbedrag buiten de schatkist aanhouden. Dit is overigens geen verplichting, minder middelen buiten de schatkist houden mag uiteraard ook.
De hoogte van het drempelbedrag is afhankelijk van de financiële omvang van een decentrale overheid, afgemeten aan de omvang van de begroting (dezelfde maatstaf die ook wordt gebruikt voor de berekening van de kasgeldlimiet). De drempel is 2% van het begrotingstotaal, indien het begrotingstotaal lager is dan € 500 miljoen, waarbij het drempelbedrag minimaal € 1 miljoen bedraagt. Indien het begrotingstotaal hoger is dan € 500 miljoen, is de drempel gelijk aan € 10 miljoen plus 0,2% van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat.
Welke rentevergoeding geeft de schatkist?
Voor het cashmanagement van uw organisatie is het van belang dat u tijdig kunt beschikken over de rentetarieven die het ministerie biedt voor uw rekening-courant (indicatief, want het definitieve percentage wordt pas aan het eind van de dag vastgesteld), termijndeposito's en leningen. Het Agentschap publiceert deze tarieven met een vertraging van 1 werkdag. Tevens kunt u ze raadplegen via ons portaal Mijn Schatkist. Zowel de RC-rente als de deposito rente worden voor decentrale overheden nooit negatief. Indien noodzakelijk voor de uitoefening van de publieke taak kunnen deposito’s kosteloos en zonder boete vervroegd worden afgelost. De vervroegde aflossing van deposito's geschiedt tegen marktwaarde.
Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak
Vanzelfsprekend blijven ook na deelname aan schatkistbankieren uitzettingen mogelijk die een decentrale overheid doet uit hoofde van de publieke taak. Zo kan een decentrale overheid vanuit haar publieke taak nog steeds leningen verstrekken aan derden of eigen vermogen verstrekken aan verbonden partijen. Alle middelen die decentrale overheden in de schatkist aanhouden, blijven vanzelfsprekend te allen tijde beschikbaar voor de uitoefening van de publieke taak. De bestedingsautonomie van decentrale overheden is derhalve volledig gewaarborgd. De rekening-courantovereenkomst tussen een decentrale overheid en het Agentschap verzekert dat sprake is van ‘Chinese walls’ tussen het Agentschap enerzijds en de rest van het ministerie van Financiën en andere onderdelen van het Rijk anderzijds.
Voldoet uw intradaglimiet nog?
Voorkom vertraging en controleer regelmatig uw intradaglimiet
Wij vragen u, met enige regelmaat de hoogte van uw intradaglimiet na te gaan. Het betreft een controle op de toereikendheid van de intradaglimiet op de aan schatkistbankieren gekoppelde bankrekening (het bedrag dat u dagelijks bij uw bank negatief mag staan).
Bijvoorbeeld loonsverhogingen, vakantie- en eindejaarsuitkeringen kunnen ertoe leiden dat de salarisbetaling, de intradaglimiet overstijgt.
Het raadplegen en wijzigen van de intradaglimiet verloopt via het portaal Mijn Schatkist. Een gebruiker dient hiervoor over de rol ‘RC’ te beschikken.
Decentrale Overheid:
-
- Adviseren wij de hoogte van de intradaglimiet op de gekoppelde bankrekening vast te stellen op: voor een decentrale Overheid is: 10% van het huidig Begrotingstotaal plus een marge van 10%
- Afdrachten van pensioen- en sociale premies dient u op een andere dag te laten plaatsvinden dan de uitbetaling van de (netto) salarissen. Deze afdrachten worden dus niet meegenomen in de bepaling van de hoogte van de intradaglimiet.
- Verzoeken wij u tot een structurele wijziging van uw intradaglimiet over te gaan, indien de huidige limiet -na de berekening onder 1.- ontoereikend blijkt. Deze wijziging kent een verwerkingstermijn van vier tot zes weken.
Indien uw organisatie te maken heeft met incidentele grote betalingen:
• Dan kunt u ervoor kiezen uw intradaglimiet eenmalig (incidenteel) te verhogen. Wij willen u vragen één aanvraag in te dienen, met als ‘actieve datum’ de dag waarop de daadwerkelijke betaling zal plaatsvinden. Deze wijziging kent een verwerkingstermijn van twee werkdagen. Het saldo op uw rekening-courant dient op de uitvoeringsdatum toereikend te zijn
• Goed om te weten: bij het opgeven van een incidentele wijziging van de intradaglimiet, controleren wij twee werkdagen van tevoren het saldo op de rekening-courant. Is het saldo op dat moment voldoende, dan sturen wij het definitieve akkoord naar uw bank. Zijn er bijzonderheden, is uw saldo bijvoorbeeld ontoereikend, dan nemen wij altijd telefonisch of per e-mail contact met u op.